EEN VISIE OP ONDERHOUD
ir. J.Th.G. Ariëns
Bedrijfsmatig onderhoud maakt gebruik van technisch inzicht en kennis van onroerend goed beheer. Economisch onderhoud is erop gericht om door preventief bezig te zijn een langere levensduur te krijgen voor een aantrekkelijke prijs. In de visie van verffabrikant Koninklijke Brink/Molyn uit Groot-Ammers worden beide ideeën gecombineerd; men spreekt van bedrijfsmatig economisch onderhoud (BEO).
Traditioneel onderhoud
Bij de traditionele manier van onderhoud gaat men ervan uit dat een bepaald materiaal een technische levensduur heeft. Voor een vuren houten kozijn is dat natuurlijk minder dan voor een hardhouten kozijn of een stalen kozijn. Daarnaast heeft het materiaal ook een economische levensduur. Die houdt verband met de kosten die men moet maken om het materiaal in goede staat te houden. Met andere woorden: Als het te duur wordt om het kozijn te onderhouden, dan moet het vervangen worden. Elk materiaal heeft een bepaalde onderhoudsbehoefte en door hiermee rekening te houden, verlengt men de economische levensduur. Het optimale exploitatieresultaat bereikt men door tijdig een materiaal dat teveel aan onderhoud kost, te vervangen.
Exploitatiekosten
Bij traditioneel onderhoud wordt grofweg elk jaar een bepaald bedrag gereserveerd voor het in stand houden van het onroerend goed. In de eerste jaren van een gebouw houdt men hieraan meestal geld over. Dat is maar goed ook, want dat kan vaak gebruikt worden om het onderhoud aan oudere projecten te financieren. Een bijkomend verschijnsel is echter dat projecten op een zeker moment gebreken gaan vertonen die een signaal afgeven omtrent de problemen van het project. Doordat men onvoldoende attent is op deze signalen en men de problemen vaak kosmetisch tracht weg te werken, stijgt de onderhoudsbehoefte van het project snel. Eigenlijk zou er nu aan het project meer geld uitgegeven moeten worden dan het bedrag dat hiervoor is gereserveerd. Maar dit bedrag was al uitgegeven.... Het gevolg is dat na vijftien tot twintig jaar een situatie ontstaat dat veel onderdelen van het gebouw aan het eind van hun economische levensduur zijn. Dit geldt met name voor ramen, kozijnen en deuren. Bij preventief onderhoud had men dit kunnen voorkomen; de theoretische levensduur van het materiaal is immers veel langer.
In de hierboven geschetste situatie heeft de investering in het schilderwerk
duidelijk onvoldoende rendement opgeleverd. Het gevolg is schade en vaak
ook vervolgschade. Dit maakt dat het onderhoud van het project in de toekomst
moeilijk te beheersen is. Het bestuur of de belegger die financiële
voordelen hoopte te halen uit het onroerende goed zal onplezierig verrast
worden door kapitaal vernietiging, hoge exploitatiekosten en vroegtijdige
vervanging van gebouwdelen.
Doordat deze gang van zaken zich in het verleden maar ook nu nog herhaaldelijk
heeft voorgedaan is de indruk gewekt dat de toepassing van schilderwerk
weinig zekerheid lijkt te geven tot beheersbaar onderhoud. Ondanks regelmatig
schilderen ontstaat toch nog vaak schade, terwijl men schilderwerk juist
wil zien als een economische onderhoudsactiviteit ter voorkoming van schade.
Structurele oorzaak
De oorzaak van fouten bij traditioneel onderhoud ligt in het niet beheersen
van de problematiek. Men kijkt onvoldoende naar de oorzaak van de schade,
die het mogelijk maakt dat vochtopname door de konstruktie plaatsvindt.
In de visie van Brink/Molyn moet de veel toegepaste commerciële marktbenadering
plaats maken voor een economische marktbenadering. Men praat daarom minder
over produkten, detail-oplossingen of het verkopen van zo veel mogelijk
liters verf. In een economische marktbenadering richt men zich in de eerste
plaats op de opdrachtgever, het object dat beschermd moet worden en de
problemen die hierbij een rol spelen. Het doel is om bouwmaterialen in
stand te houden en waar mogelijk op peil te brengen gedurende de economische
levensduur, tegen zo laag mogelijke kosten een zo hoog mogelijk rendement.
In de praktijk betekent dit dat men elke twee jaar bij een project
komt inspecteren. De schadegevallen die men vindt wordt direct aangepakt
door het treffen van maatregelen die functionele instandhouding waarborgen.
De nadruk ligt hierbij op het beheersen van de problematiek, het opsporen
van de oorzaken die tot de schade geleid hebben.
De werkelijke oorzaak van veel schade is houtrot. Door openstaande verbindingen wordt vocht in het hout opgenomen. Om het hout echt goed droog te houden, moeten de beste technieken en materialen worden toegepast, nadat het project eerst grondig is geanalyseerd. Alleen zo kunnen de koste beheersbaar blijven en wordt de kwaliteit van het object op peil gehouden.
De ervaring heeft geleerd, dat door een snelle aanpak van de problemen en een doelmatige organisatie, de hoeveelheid schilderwerk aan een project duidelijk minder wordt. Brink/Molyn ziet de toekomst dan ook niet in een grotere omzet per project maar verwacht dat deze aanpak ertoe zal leiden dat veel meer opdrachtgevers hun projecten op deze wijze zullen gaan onderhouden.
Inzetbaarheid
De nadruk bij traditioneel onderhoud ligt vrijwel altijd bij projecten
die een leeftijd hebben tussen de vijftien en twintig jaar. Maar dat zijn
nu juist de projecten waaraan hoge kosten zijn verbonden met grote risico's
dat alle inspanningen uiteindelijk toch niet leiden tot het gewenste
resultaat omdat men gewoonweg te laat is begonnen. Het eigenlijke vakgebied
van de schilder ligt in feite meer bij de gezonde projecten met een leeftijd
tussen nul en twaalf jaar. Bij deze projecten is het heel duidelijk dat
schilderwerk kan worden gebruikt met als doel het voorkomen van problemen.
Het bedrijfsmatig economisch onderhoud richt zich dan ook met name op die
projecten waar de schilder datgene goed moet houden wat nog goed is. Verf
is geen produkt om rotte kozijnen weer als nieuw te maken. Door veelvuldige
inspectie is het mogelijk om te voorkomen dat konstrukties voortijdig in
een toestand komen dat schilderwerk geen zin meer heeft.
Bedrijfsmatig economisch onderhoud kan alleen worden bereikt als instandhouding
technisch nog mogelijk is en de problemen ook economisch op peil te brengen
zijn. Omdat deze wijze van onderhoud een totale aanpak vereist, hoort ook
het binnenwerk als een vaste voorwaarde bij het bedrijfsmatig economisch
onderhoud.
Basisplan
In het basisplan dat hoort bij bedrijfsmatig economisch onderhoud wordt
door inspectie vastgesteld hoe de staat is van de ondergrond, welke problemen
er spelen in het project, wat de onderhoudsbehoefte is en welk beschermingssysteem
reeds aanwezig is. De tweede stap is dan het oplossen van de vastgestelde
problematiek. Tenslotte worden er maatregelen genomen voor een economische
aanpak van het vervolgonderhoud.
De gebouwdelen die aan de orde komen in het basisplan zijn kozijnen
en ramen, deuren, boeien en bergingen en open verbindingen.
Organisatie
In de organisatie die hoort bij deze wijze van onderhoud is sprake van
een hechte samenwerking tussen de opdrachtgever, het schildersbedrijf en
de verffabrikant. De verantwoordelijk-heden van de schilder zijn in de
eerste plaats de ondergrond en de applikatie. Ook is hij verantwoordelijk
voor de begroting van het onderhoudsplan, de uitvoering van de onderhoudswerkzaamheden
en regelmatige herinspecties. Hiermee is het schildersbedrijf een volwaardige
gesprekspartner geworden. De verffabrikant is op zijn beurt verantwoordelijk
voor de eerste inspectie, het opstellen van het basisplan en
onderhoudsbeheersplan. Ook ondersteunt de fabrikant door regelmatige
herinspecties en informatie aan opdrachtgever en schildersbedrijf. Voorts
geeft hij begeleiding en ondersteuning bij de uitvoering en is hij verantwoordelijk
voor het produkt en het advies.
Tenslotte heeft ook de opdrachtgever zijn specifieke verantwoordelijkheden.
Hij is de centrale instantie met betrekking tot organisatie, inspectie
en applikatie. Dan is hij uiteraard ook de budgethouder, zorgt hij voor
coordinatie en toezicht op de uitvoering op basis van het uitgestippelde
plan. Als alles goed gaat wordt een contract voor twaalf jaar afgesloten
waarbij ook de garantie geregeld wordt.
Praktijkvoorbeelden
In Beuningen heeft men al enige jaren ervaring opgedaan met het bedrijfsmatig
economisch onderhoud zoals dat door Brink/Molyn is ontwikkeld. De heer
Mathieu van Koolwijk van de Woningbouwvereniging Beuningen zegt hierover:"
Ik vind het duidelijk voordelen hebben: er wordt meer aandacht aan de ondergrond
besteed, de schilder brengt niet alleen de afwerklaag aan maaar kijkt ook
wat de gebreken zijn en die worden hersteld. Met andere woorden: meer oog
voor de problematiek. Financiëel vertaald: het onderhoud is beheersbaar,
we weten wat er aan de hand is. Voor de schilder is er het voordeel dat,
als hij de onderhoudsbeurt goed uitvoert, er bij de zogenaamde inspectieve
onderhoudsbeurten minder werk is. Ook voor hem is dit financiëel voordelig".
Een van de schildersbedrijven die volgens deze opzet werkt is Wassink
Schilderwerken BV in Rheden. De heer Martin Borgevoet is hier adjunkt direkteur
en zijn mening is: "De schilder kan nu een volwaardige partner zijn;
iets wat vroeger beslist niet zo was. Het is duidelijk een erkenning van
je vakmanschap en .... een aantal van deze klussen op je plan-bord zorgen
ervoor dat je voor de rest van het jaar goed zit".
INSPECTIE VAN SCHILDERWERK OP HOUT
mei 1991
Onlangs is een onderzoek van start gegaan dat moet leiden tot een nieuwe inspectiemethode voor buitenschilderwerk op hout. Doel van het onderzoek is te komen tot een methode waarmee de kwaliteit van schilderwerk op hout objectief vastgesteld kan worden. Initiatiefnemer van het onderzoek is het Centrum voor Onderzoek en Technisch advies (C.O.T.) te Haarlem. Dit artikel geeft een beeld van de inspectiemethode en de ontwikkeling ervan tot nu toe. Het eindigt met een beoordeling door de schrijver van de huidige stand van zaken.
Objectieve inspecties.
Tot nog toe hebben beheerders van vastgoed en onderhoudsbedrijven weinig instrumenten ter beschikking om de kwaliteit van schilderwerk op hout objectief vast te stellen. Beoordeling van schilderwerk gebeurt meestal op basis van kennis en ervaring. Verschillende inspecteurs kunnen er zo uiteenlopende meningen over de onderhoudsconditie van houten geveldelen op na houden. Hierdoor wordt het plannen van onderhoudsmaatregelen bemoeilijkt. Onderhoud vindt dan ook vaak te vroeg, te laat of niet op functionele wijze plaats, waardoor enerzijds de kans op schade wordt vergroot en anderzijds geen kostenbeheersing kan plaatsvinden.
De inspectiemethode waar het C.O.T. nu aan werkt, moet het mogelijk
maken om op eenvoudige wijze de kwaliteit van geveldelen eenduidig te omschrijven.
Deze techniek moet de basis gaan vormen voor een gestructureerde aanpak
van beheer en onderhoud. In samenwerking met het Ministerie van Onderwijs
en Wetenschappen, 18 meewerkende organisaties en met subsidie van het Ministerie
van Economische Zaken wordt de methode ontwikkeld en getest op betrouwbaarheid
en bruikbaarheid. Het is van belang dat met deze methode verschillende
inspecteurs bij hetzelfde object inspectierapporten opstellen die een hoge
mate van gelijkheid vertonen. Met andere woorden: de kwaliteit van het
buitenschilderwerk dient uniform te worden vastgesteld. Het C.O.T. bouwt
hiermee voort op de reeds ontwikkelde uniforme normering van de kwaliteit
van droge verflagen.
De inspectiemethode bestaat uit vier onderdelen, te weten een conditiewijzer,
een inspectiekoffer, inspectieformulieren en een handleiding.
Conditiewijzer
Het hart van de nieuwe inspectiemethode is een zogenaamde conditiewijzer.
Het doel van deze wijzer is het mogelijk maken om de staat van het schilderwerk
op houten bouwelementen objectief vast te stellen. De praktijk heeft namelijk
geleerd dat verschillende inspecteurs na de inspectie van een gegeven object
tot heel verschillende adviezen kunnen komen.
Met behulp van de conditiewijzer wordt de toestand van de constructie
en het beschermingssysteem in relatie gebracht met een referentiemeting
die voor elke inspecteur hetzelfde is.
De wijzer bevat afbeeldingen van een aantal essentiële en veel
voorkomende problemen die zich op schilderwerk, ondergrond en beglazing kunnen voordoen. De conditiewijzer bestaat uit vijftien referentiekaarten voor gebreken die zich bij geschilderde houten gevel-elementen in een gebouw of woning kunnen voordoen. De gebreken komen voor in de afwerking, de beglazing of de ondergrond (zie Tabel 1).
Tabel 1. Vijftien gebreken uit de conditiewijzer
(Kader)
Gebreken aan het verfsysteem
1. Barstvorming
2. Blaarvorming
3. Bladdervorming
4. Slechte hechting
5. Glansverlies
6. Vervuiling
7. Verkleuring
8. Afpoederen
9. Gebreken aan beglazingsafdichting
Gebreken in de ondergrond
10. Hoog vochtgehalte
11. Openstaande verbindingen
12. Barstvorming
13. Scheurvorming
14. Geringe omtrekspeling draaiende delen
15. Houtrot
(einde Kader)
De conditiewijzer geeft aan met welke methode het gebrek kan worden
bepaald en de middelen die hierbij worden gebruikt.
Van elk gebrek moet de inspecteur vaststellen hoe sterk het zich voordoet
(intensiteit). Daarnaast moet men aangeven in welke mate het gebrek voorkomt
op een bepaald gevel-element (frequentie) en op de totale gevel (omvang).
Dit resulteert in drie cijfers voor elk gebrek. De cijfers die alle gebreken
samen opleveren, vormen een maat voor de kwaliteit van het schilderwerk
op het hout.
Inspectie en onderhoudsplan
Het doel van onderhoud is, naar de mening van het COT, om de conditie
van een constructie van tijd tot tijd te verbeteren, zodat er langer gebruik
kan worden gemaakt van de constructie.
Om tot een goed onderhoudsplan te komen is het raadzaam om te weten
hoe goed of slecht de conditie van de ondergrond en de deklaag is. Deze
informatie krijgt men door het uitvoeren van inspecties. Om de achteruitgang
van een constructie in een bepaalde periode te volgen is voortdurende conditiebewaking
nodig.(Zie Figuur 1)
Het COT onderscheidt hierbij drie soorten metingen: Basismetingen,
aanvullende metingen en esthetische metingen. Hoe deze verschillende metingen
worden uitgevoerd, staat beschreven in de conditiewijzer.
Conditiebewaking
Nadat een constructie weer in de gewenste technische en esthetische
staat is gebracht, is de tijd aangebroken om de conditie van de ondergrond
te bewaken. Door jaarlijks de conditie te bepalen, is het mogelijk om vroegtijdig
gebreken te signaleren en tijdig onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren.
Verdere en versnelde afbraak wordt zo voorkomen.
De metingen die vooral van belang zijn tijdens deze fase zijn:
- Vochtgehalte van het hout
- Openstaande verbindingen
- Lekkage van glasafdichting
- Barsten van verf
- Bladderen van verf
Samen vormen deze onderdelen de basismeting.
Tabel 2 geeft een voorbeeld van conditiebewaking
Het is duidelijk dat de barsten in de verf samenvallen met een verhoogd
vochtgehalte in het hout in het vierde jaar.
Aan de inspectiemethode van het COT is een adviesmodule gekoppeld, die op basis van de inspectiegegevens eenduidige adviezen geeft voor de te nemen onderhoudsmaatregelen. De inspectiemethode en adviesmodule samen dragen ertoe bij dat vastgoedbeheerders een beter kwaliteitsbeleid kunnen voeren.
Beoordeling van de methode
Dat er behoefte bestaat aan een inspectiemethode waarbij verschillende
inspecteurs globaal tot de zelfde resultaten komen, is zonder twijfel een
feit. De onderzoeksmethode van het COT geeft hiervoor een bruikbare aanzet.
Op een aantal punten ziet de schrijver van dit artikel echter wel mogelijkheden
om de bruikbaarheid nog te vergroten. Dit heeft onder andere te maken met
het betrekken van de omliggende bouwdelen bij de inspectie. Veel problemen
met houten constructies vinden namelijk hun oorzaak niet in het hout zelf
maar in een slechte aansluiting om de omliggende stenen of betonnen bouwdelen.
Daarnaast is het belangrijk om niet alleen de verschijnselen goed waar
te nemen en in beeld te brengen maar ook de oorzaak hiervan op te sporen.
Het maakt nogal wat verschil of een hoge vochtigheidsgraad in het hout
wordt veroorzaakt door binnendringend vocht vanuit het omliggende metselwerk
of door inwendige condensatie ten gevolge van slecht binnenschilderwerk.
Omdat de inspectiemethode in een fase verkeert waarin de testresultaten
nog afgerond en verwerkt moeten worden, mag aangenomen worden dat de uiteindelijke
versie ook aan deze onderdelen meer tegemoet zal komen.
GEVELOPENINGEN;
WAAR SCHILDERWERK EN ANDER BOUWKUNDIG ONDERHOUD ELKAAR
ONTMOETEN.
Openingen in gevels ten behoeve van ramen en deuren behoren tot de meest kwetsbare plaatsen van een gebouw. Ten einde problemen van tocht en waterindringing tegen te gaan, wordt de markt overspoelt met duizenden artikelen, variërend van verven, verduurzamingspillen, plastische en elastische kitten, pur-schuim, pleisterwerk, tochtprofielen, folies etc. Zolang de informatie hierover slechts verstrekt wordt door individuele fabrikanten blijft het vaak bij het oplossen van deel-problemen zonder dat rekening wordt gehouden met de onderlinge beinvloeding materialen en producten. Het onderstaande artikel geeft een aanzet tot een probleemgerichte aanpak.
Inspectie
Schilders die betrokken zijn bij het onderhoud en beschermen van buitengevels, krijgen te maken met aansluitingen van de gevel met de daarin geplaatste kozijnen, ramen en deuren. Het feit dat hier materialen als baksteen, beton, hout, glas en metaal of kunststof blijvend goed op elkaar moeten aansluiten, leidt tot constructies die bijzondere eisen stellen aan de werkzaamheden die verricht moeten worden. Alvorens een begin gemaakt kan worden met behandeling en voor een goed advies voor behandeling kan worden opgesteld, is het van belang dat door het schildersbedrijf een inspectie wordt uitgevoerd.
Van een vakkundig schilder mag verwacht worden dat hij op de hoogte is van de invloed die verfsystemen kunnen hebben op de te schilderen ondergrond en de bijbehorende voorbehandeling. Daarom richten de onderstaande inspectiepunten zich specifiek op de bouwkundige facetten waar een schilder mee te maken kan krijgen.
Om mogelijke bouwkundige problemen die van invloed zijn op schilder-werkzaamheden aan openingen in buitengevels op te sporen, dient men op de volgende punten te letten:
- De toestand van de toegepaste materialen.
Hierbij moet gelet worden op de leeftijd in relatie
tot de levensduur; is het verstandig om te beschermen of is het materiaal
al zo oud dat het beter vervangen kan worden? Hoe
vochtig is het materiaal, waar komt het vocht vandaan. Wat is de
invloed van de oriëntatie, vindt regelmatig
snelle wisseling tussen droging en bevochtiging plaats aan de zuidzijde
of blijft het
materiaal lang vochtig zoals aan de noordzijde?
- Aansluitingen tussen kozijn en de gevel
- Aansluitingen tussen beton en baksteen
Wie tegenwoordig door de Nederlandse nieuwbouw-wijken wandelt,
valt het regelmatig op dat de architectuur waarin betonlateien zichtbaar
zijn in de gevel boven kozijnen weer in trek is. Van groot belang bij deze
combinatie van materialen is dat de beton-latei de ruimte heeft om aan
beide uiteinden enigzins uit te zetten. De voegbreedte tussen beton en
metselwerk kan 4 mm verschillen in de zomer en de winter.
Als men hiermee geen rekening heeft gehouden is het resultaat
scheurvorming boven het kozijn. Vooral bij gevels op het zuid-westen leidt
dit tot indringen van regenwater tot op het kozijnhout dat weldra een vochtigheid
boven de 20% zal bereiken. Wat voor verf-systeem men hierop ook toepast,
het resultaat zal altijd teleurstellend blijven: het vocht leidt tot rotting
van het hout en onthechting van de verflaag.
- Hang- en sluitwerk
- Kitnaden
In zeer veel gevallen wordt het aanbrengen van een kitnaad gezien
als de oplossing voor tochtverschijnselen en vochtindringing. In bijna
al deze gevallen is het resultaat dat de problemen snel weer terug keren
wanneer er naast de kitnaad geen goede bouwkundige voorzieningen zijn om
een goede afdichting te verkrijgen. Een ander punt is de verdraagzaamheid
tussen bepaalde kit- en verfsoorten. Met name speelt dit bij acrylaatverven
die ten gevolge van de weekmakers in sommige kitsoorten een slechte droging
kunnen vertonen.
- Beglazingsrubber
- Woonvocht Onder woonvocht verstaan we waterdamp die geproduceerd
wordt ten gevolge van bepaalde activiteiten zoals
koken, wassen, vochtafgifte door personen
(of huisdieren).
Enkele gemiddelde hoeveelheden van geproduceerd woonvocht
staan vermeld in tabel X
Van interne vochtproductie is eveneens sprake in zwembaden,
gaarkeukens etc.
Belangrijk is in deze gevallen dat het geproduceerde vocht wordt afgevoerd door middel van ventilatie, ten einde condensvorming zo veel mogelijk te voorkomen. Condensatie zal voornamelijk plaatsvinden op koude delen van de constructie.
Neerslag
Een gebouw staat bloot aan vochtbelastingen in allerlei
vormen zoals regen, stuifsneeuw, mist etc.
Neerslag kan door poreuze bouwmaterialen worden opgenomen,
met name via niet afgedekt horizontale delen, of dringt via lekkages het
gebouw binnen. Detaillering van het gebouw op de ontwerptafel en de uitvoering
op de bouwplaats spelen hierbij een belangrijke rol, alsmede een juist
materiaalgebruik.
Door de onderlinge beinvloeding van diverse factoren is deze problematiek zeer complex. Zo kan bijvoorbeeld spouwmuur-isolatie invloed hebben op de temperatuur en het wateropname-gedrag van het buitenspouwblad.
> Verbindingen
Houtrot bij ramen, deuren en kozijnen komt met name voor bij de verbindingen
die open staan waardoor gemakkelijk vocht kan binnendringen. Bijgaande
illustratie laat zien waar de belangrijkste verbindingen zijn.
Wanneer vocht bij de kopse kanten van het hout komt, wordt dit gemakkelijk
opgezogen. Ook kan vocht vanuit het bovenliggende metselwerk in het hout
dringen wanneer hiertegen geen voorzieningen zoals lood of rubber-folie
zijn getroffen. Openstaande verbindingen kunnen wordn geinjecteerd met
tweecomponenten houtmassa, terwijl bij het ontbreken van een vochtkering
tussen metselwerk en het kozijn deze alsnog moet worden aangebracht.
Opsporen van de oorzaak
Wanneer door een grondige inspectie en zonodig een onderzoek aan de betreffende bouwdelen de oorzaak van bepaalde schades is gevonden, kan een advies worden opgesteld hoe deze oorzaak kan worden weggenomen. Het kan anders gebeuren dat nieuw aangebracht schilderwerk op vochtig hout weer los laat en het probleem alleen groter wordt. De oorzaken vanschade kunnen gelegen zijn in onvoldoende luchtverversing, inwateren en condensatie ten gevolge van fouten in de bouwconstructie en lekkages. Zwaar aangetaste dlen van de constructie moeten worden verwijderd en vervangen.
> Kozijnen met geringe aantasting
Bij het onderhoud van kozijnen met geringe schade kunt u het aangetaste hout uithakken tot op het gezond hout. Vervolgens moet het omringende gezonde hout onder druk worden geimpregneerd met een houtverduurzamingsmiddel. Een alternatief hiervoor zijn pillen met hout-verduurzamingsmiddel. Daarna worden de uitgehakte delen gestopt en geëgaliseerd met een tweecomponenten houtmassa en wordt een beschermlaag aangebracht(schilderwerk).
Lekkage en tocht via kieren tussen kozijn en muur worden hersteld volgens
het principe van regenkering aan de buitenzijde en winddichting aan de
binnenzijde van de naad. Wanneer alleen aan de buitenzijde een kitnaad
wordt aangebracht, bestaat het gevaar dat deze oplossing weinig duurzaam
is.
Kozijnen die los in de muur zitten weer vast zetten:
De kozijnankers waarmee kozijnen in de muur zijn bevestigd kunnen loslaten door het broos worden van metselspecie, krom trekken van het kozijnhout of het veelvuldig hard sluiten van ramen en deuren. Er zijn een tweetal manieren om loszittende kozijnen weer vast te verankeren:
1. Met behulp van nieuwe kozijn-ankers.
Hiertoe dient u eerst met een houtboor (in geval van houten
of kunststof kozijnen) een aantal gaten boren in het kozijn op een onderlinge
afstand van circa 50 cm. Vervolgens met een steenboor van dezelfde diameter
een gat boren in de muur, zo diep als de kozijnplug lang is. Daarna kozijnpluggen
aanbrengen, de schroeven bevestigen en de gaten in het kozijn opvullen
met kneedbaar hout.
Tot slot kunt u de kieren die ontstaan zijn tussen de muur en
het kozijn schoon bikken, stofvrij maken en vullen met afdichtingskit.
Met een natte vinger en wat zeepsop de kitnaad gladstrijken.
2. Door middel van montagekit.
De ruimte tussen muur en kozijn goed schoonmaken en op diverse
plaatsen volspuiten met montagekit. Deze kit een week niet aanraken of
afdichten zodat uitharding kan plaatsvinden. Na een week kunt u indien
gewenst de montagekit afwerken met een latje of een rups afdichtingskit.
Hydrofoberen kan de gevel voor directe neerslag beschermen maar tevens ervoor zorgen dat vocht van binnen langer in de muur blijft. Het is van belang dus om de herkomst van het vocht te kennen zodat men niet muren die van binnenuit bevochtigd worden aan de buitenzijde gaat hydrofoberen.
Het indringen van vocht
Zonder contact tussen het vocht en de constructie kan er geen vochtschade ontstaan. We zullen nu een aantal mogelijkheden bespreken waardoor vocht van een bepaalde herkomst in contact kan treden met het oppervlak van de constructie of er binnen kan dringen.
Uitwendige condensatie:
Er ontstaan druppels water op het oppervlak van een koud constructie-deel. Dit kan aanleiding geven tot verkleuring, stank, schimmel of alg-aangroei of onthechting van de afwerklaag (b.v. behang of pleisterwerk).
Inwendige condensatie:
Wanneer een materiaal oververzadigd raakt van waterdamp of bij
afkoeling van een verzadigde toestand, treedt inwendige condensatie op.
Dit kan tot gevolg hebben dat schade optreedt bij bevriezing van het gecondenseerde
vocht en er kan rotting optreden bij organische materialen (o.a. houtrot)
Capillairen: Een constructie van hout, steen of beton
kan water opzuigen vanuit vochtige grond of vanaf de oppervlakte van het
materiaal, b.v. een niet afgedekte horizontale beeindiging van een gemetselde
opstand. De in het materiaal aanwezige zouten (b.v. NaCl) werken dit proces
in de hand doordat ze vocht aantrekken (hygroscopisch)
Tochtverschijnselen:
Lucht met een hoge vochtigheid kan de woning binnendringen door kieren tussen de kruipruimte en de woning of tussen binnen en buiten. Door de vaak aanwezige onderdruk in de verwarmde woonkamer wordt tevens vochtige lucht aangezogen.
Hangwater: Wanneer regenwater niet weg kan ten gevolge van slecht gedraineerde
grond, ontstaat onder het maaiveld een waterdruk die water als het ware
in de fundering en kruipruimte (of kelder) perst.
Diffusie: Door concentratie-verschillen kan waterdamp vanuit de lucht
(binnen en buiten) of vanaf de oppervlakte het materiaal binnendringen.
Wanneer daarna daling van de temperatuur plaatsvindt, kan condensatie optreden.
Om de preciese oorzaken te vinden van de vocht-klachten die we ontmoeten, is het nodig om in het kort te bespreken welke natuurkundige verschijnselen een rol spelen bij vocht in de bouwconstructies.
We zullen nu bespreken hoe we de bovenstaande mogelijkheden waardoor
vocht in contact kan komen met de bouwconstructie kunnen herkennen.
Ook zullen we zien op welke wijze het indringen kan plaatsvinden.
VERSCHIJNSEL HERKENBAAR AAN :
1. Condensatie...........vochtige plekken op glas, of op de gevel achter kasten
2. Capilaire invloeden...regendoorslag, vocht en algen net boven maaiveld
3. Tochtverschijnselen...muffe geur in leiding-kast of bij aanrecht-kasten
4. Hangwater.............vocht en water in kelder of kruipruimte
5. Diffusie..............vocht c.q. schimmel bij vloer
of douche-wanden