Vreemde mensen
Amerika is een groot land met hoge gebouwen en heel gevaarlijke terroristen. Nederland daarentegen is een klein landje met aardige torentjes en kleine boefjes die stiekem prullenbakken en flip-overs in brand steken. Is de wereld sinds 11 september echt minder veilig geworden? Ik geloof eerder dat voor veel mensen de illusie van veiligheid heeft plaatsgemaakt voor een gevoel van kwetsbaarheid.
Naar aanleiding van diverse brandjes verspreidt de directie van de FNT, even adequaat reagerend als de amerikaanse regering, via e-mail en pamfletten de boodschap dat veiligheid een zaak is van ons allemaal. Een open deur die zo afgezaagd is als de leus “Een beter milieu begint bij jezelf”, maar toch iets om even over na te denken. Samen met mijn collega’s ga ik op zoek naar vreemde mensen die in onze gebouwen niet thuis horen. En wat blijkt? Het gebouw zit vol met vreemde mensen! Door talloze schaalvergrotende operaties zijn we een organisatie met 2400 medewerkers en 25.000 studenten geworden. Het gevolg hiervan is een enorme vervreemding. Vervolgens verhuren we lokalen aan buitenstaanders want onze eigen studenten werken tegenwoordig liever thuis (ook vreemd hè).
Uitsmijters hebben geen effect op vreemde mensen die brand stichten.
Zelf ben ik nog nooit staande gehouden, terwijl ik voor hen ook een vreemde
ben. Jaren geleden in de Vondellaan zat Angela bij de receptie en Annie
maakte alles min of meer schoon. Die twee kenden iedereen. Ik pleit ervoor
om terug te gaan naar een menselijke schaal en een herkenbare omgeving
waar mensen geen vreemden zijn voor elkaar. De toren van Babel, het WTC,
anonieme kantoortorens, ze nodigen uit om in opstand te komen tegen autoriteit.
“Vluchten kan niet meer, schuilen alleen nog maar, heel dicht bij elkaar”.(F.
Halsema, 1977)
Woudenberger, mei 2001
Frequentie, Utrecht oktober 2001.
Poppen of Foppen?
Marijke liep met een vrolijk gevoel door het schoolgebouw op weg naar
de directievleugel. Ze werkte al 15 jaar bij de administratie en had het
gevoel dat het tijd werd voor iets anders. De berichten over persoonlijke
ontwikkelingsplannen hadden haar op het idee gebracht om haar hobby verder
te ontwikkelen. De directeur ontvangt haar vriendelijk en Marijke vertelt
haar voorstel: “Al jaren lang maak ik poppenhuizen en nu zag ik in een
gids een cursus maquettebouwen. Graag zou ik die cursus volgen in het kader
van POP, zodat ik straks studenten kan gaan begeleiden die modellen maken.”
Het ontgaat Marijke niet dat de directeur enigszins verrast reageert.
“Het is een aardig idee”, zegt hij, “maar ik wil het even nachecken in
het FOP”. Het FOP?? Wat was dat nu weer? “Ja, je weet wel, het Faculteits
Ontwikkelings Plan…” Enige dagen later kreeg Marijke te horen dat haar
voorstel helaas niet binnen het FOP past zodat de cursus niet door de school
kan worden bekostigt.
Dezelfde dag kwam ze Jan tegen in de kantine. Terwijl Jan meestal een nogal uitgebluste indruk maakt, is hij nu in een prima stemming. Hij had ook een voorstel ingediend, namelijk om een cursus Pop-muziek te volgen. Marijke vraagt of dat dan wel binnen het FOP past. “Jawel”, vertelt Jan haar, “want als ik klaar ben, neem ik een andere baan en dan vertrek ik hier. Dat past uitstekend binnen de mobiliteits-doelstellingen van deze school. De kosten van de cursus zijn lager dan wat ik kost wanneer ik nog jaren hier blijf.”
Marijke gelooft haar oren niet. Peinzend loopt naar de administratie.
Deze keer heb ik het niet goed aangepakt, denkt ze, maar de volgende keer
laat ik me niet meer foppen!
Frequentie, Utrecht september 2001.
Klimaatverandering nu!
De regen drupt zachtjes op mijn tent. Terwijl het gisteren nog tropisch warm was, hebben we vandaag alweer drie flinke buien gehad. Mijn buurman, was zo vriendelijk om de krant van gisteren aan ons uit te lenen. Mijn oog valt op de rellen in Genua; Eén dode en talloze gewonden tijdens protest-acties tegen ‘mondialisering’. Toen ik nog studeerde, gingen we de straat op voor meer democratie en vooral meer studiebeurs. Mondialisering…. Het lijkt zo abstract.
Twee bladzijden verder een ander bericht: Minister Pronk en de Klimaatconferentie in Bonn. Hadden hier geen demonstranten naar toe moeten gaan? Als het zo door gaat met het klimaat kunnen we straks niet meer camperen! Of zijn het toch de Grote Namen die de aandacht trekken in plaats van de thema’s die besproken worden? Terwijl het buiten weer ietsjes harder gaat regenen, denk ik aan die andere ‘klimaatverandering’. Het afgelopen jaar zijn we opgeschrikt door twee rampen, in Enschede en Volendam. Het vertrouwen in een overheid die de zaak goed onder controle heeft is verder afgenomen door een nauwelijks te beheersen MKZ-crisis.
Er lijkt een rode draad door al deze gebeurtenissen te lopen. De café-houder en de vuurwerkfabrikant die de regels aan hun laars lappen zijn uitzonderlijk, maar alleen omdat de rampzalige gevolgen zoveel mensen treft. Omdat duizenden mensen geen boodschap hebben aan veiligheid of aan het milieu verandert ook het sociale klimaat om ons heen. “Laat de overheid het maar oplossen, ik betaal er toch belasting voor”.
De zon breekt door de wolken en de camping komt langzaam weer tot leven.
Ik neem me voor om vandaag te beginnen met het scheiden van afval, maar
vooral te werken aan een beter klimaat op mijn werk en thuis.
Artikel voor de Architect
Onderzoek naar windhinder in stroomversnelling.
- intro -
Met een onderzoek aan de Universiteit van Eindhoven benadert prof.
ir. J.A. Wisse het probleem van windhinder op een geheel eigen wijze. De
onderzoeken van Wisse hebben tot doel om de kennis en ervaring op het gebied
van stromingsleer en klimatologie toepasbaar te maken voor de bouwkunde.
Naast voordelen in termen van tijd en geld wordt het mogelijk om reeds
in de gesprekken voorafgaande aan een windtunnel-onderzoek de effecten
van bepaalde ontwerpbeslissingen in te schatten. Het door Wisse e.a.
ontwikkelde rekenprogramma stelt een architect in staat snel een indruk
te krijgen hoeveel windhinder zal optreden. Ook wordt aangegeven
welke alternatieve ontwerpen tot minder windoverlast zullen leiden.
De methode is nog in ontwikkeling maar wordt nu reeds toegepast als
uitgangspunt voor concrete adviezen aan architecten.
- broodtekst -
"Op basis van het computerprogramma en windtunnelexperimenten hebben
wij een formule gemaakt om de 'vlagerigheid' van de wind in de stad te
voorspellen. Dat was er voordien niet. Daarmee hebben we de kennis een
eindje vooruit gebracht. Maar als je dit aan een architect vertelt, dan
is de weg naar het ontwerp nog heel lang. Er is een heel kennisveld dat
in de bouwkunde nog niet wordt toegepast en ik probeer dat naar elkaar
toe te brengen. Ik zou bijvoorbeeld meer ontwerpregels willen zien. Die
moeten duidelijker zijn zodat de architect er beter mee kan werken. De
kloof tussen de beschikbare kennis en de ontwerpende architect zou ik willen
overbruggen, door onderwijs aan studenten, publikaties, post-academische
cursussen en directe advisering. Ook proberen we tot normstelling te komen,
door vast te stellen wat nu wel en niet gewenst is". In de kamer van professor
Wisse op de elfde verdieping van het bouwkunde-gebouw in Eindhoven kunnen
de ramen niet open. Als dit wel mogelijk was geweest, had de wind die tijdens
ons gesprek om het gebouw suisde een treffende illustratie gevormd bij
het onderwerp waarover Wisse vol overgave kan spreken.
"Je ziet dat een architect slim kan ontwerpen en dan krijg je weinig
windhinder, of hij kan onhandig ontwerpen en dan krijg je veel hinder.
De stedebouwkundige randvoorwaarden zijn ook van belang, het is een combinatie
van factoren".
Windhinder speelt een belangrijke rol bij onze beleving van de gebouwde omgeving. Zolang we in het open veld verblijven of in een bosrijke omgeving ervaren we wind als een natuurlijk gegeven. We accepteren dit ook als het soms lastig lopen of fietsen is. Maar in de stad zien we wind als een hinderlijke indringer die een aantrekkelijk woon- en leefmilieu op wrede wijze kan verstoren. Binnen onze gebouwen hebben we wind op deskundige wijze buitengesloten maar zo gauw we een stap naar buiten zetten, neemt de natuur wraak met onverwachte harde windstoten op plaatsen waar we het niet verwachten, althans zo lijkt het.
Naast bouwfysische factoren zoals bezonning, vochtbeheersing, lawaai-
en warmte isolatie staat ook windhinder steeds meer in de belangstelling
van de ontwerpend architect. Over enkele maanden zal bijvoorbeeld de nieuwe
TGB 6702 over windbelasting verschijnen. Hierin wordt echter alleen over
de invloed van wind op de constructie van het gebouw zelf besproken en
niet de invloed op de beleving van de buitenruimte.
Al sinds eeuwen hebben bouwers min of meer intuïtief ingespeeld
op invloeden van de wind. Vanaf de vijftiger jaren, toen in Londen iemand
was omgewaaid, werd steeds meer wetenschappelijk gekeken naar windhinder
als een serieuze factor waarmee rekening moet worden gehouden. Men ging
op zoek naar een manier om de mate van hinder te voorspellen. De windtunnel
die in de jaren zestig tot ontwikkeling kwam, is daarbij een belangrijk
hulpmiddel. Het principe lijkt zeer eenvoudig, echter de praktische toepassing
is met diverse moeilijkheden omgeven. Het grootste probleem is dat pas
in een laat stadium van het ontwerpproces voldoende gegevens beschikbaar
zijn voor het vervaardigen van een geschikte maquette voor de windproeven.
Veel ontwerpbeslissingen zijn dan al genomen op basis van economische en
architectonische overwegingen waarover lang is nagedacht. Wanneer in de
windtunnel mocht blijken dat zich buiten het gebouw ongunstige situaties
zullen voordoen, is de ontwerpvrijheid om hieraan nog iets te doen veelal
beperkt.
Wanneer ontstaat windhinder?
Wind is turbulent, hetgeen wil zeggen dat hij alle kanten op kan waaien met een steeds wisselende snelheid. De windsnelheid kan men samengesteld denken uit een gemiddelde snelheid met daarop allerlei fluctuaties gesuperponeerd. Deze fluctuaties kan men aangeven met een standaarddeviatie. Omdat we vooral last hebben van windvlagen is het essentieel een geschikte maat te hebben voor de snelheid van een windvlaag. Deze blijkt de gemiddelde windsnelheid plus drie maal de standaarddeviatie te zijn. In formule:
Vlaagsnelheid = U + 3 (m/s)
Het is dus essentieel om deze standaarddeviatie ( ), ook wel turbulentiegraad
te kennen. De standaarddeviatie kan gemakkelijk 1/3 van de gemiddelde windsnelheid
zijn, waardoor de windsnelheid in een vlaag twee maal de gemiddelde windsnelheid
wordt. Meting en berekening bij een aantal blokken stemmen goed overeen
wat dit betreft.
Windhinder kan ontstaan wanneer de vlaagsnelheid groter is dan 6 meter
per seconde terwijl onveilige situaties ontstaan wanneer dit meer is dan
20 meter per seconde. Wisse: "In het buitenland worden deze gegevens gebruikt,
bijvoorbeeld in Los Angeles waar architecten moeten aantonen dat in de
buurt van een hoog gebouw de vlaagsnelheid op straatniveau de 25 meter
per seconde niet zal overschrijden. Ook in Jeruzalem worden hoge gebouwen
aangepast door ze niet op palen maar op een voetstuk te zetten. Hierdoor
blijft de neerwaartse stroom, die elk hoog gebouw met zich meebrengt, boven
het stedelijk dek. Je beperkt de windsnelheid op straatniveau om het gebouw.
Het is een architectonische keuze; door de vorm van het gebouw slim te
kiezen, vermijd je een puzzel".
De kans op windhinder is ook te berekenen als functie van de windfactor
~. Deze windfactor geeft de verhouding aan tussen de lokale windsnelheid
in de gebouwde omgeving en de gelijktijdige windsnelheid op 10 meter hoogte
in het vrije veld. Op loophoogte is de windsnelheid 70% van die op 10 meter
hoogte waardoor de windfactor dus 0,7 is. Bij winderige gebouwen ~ > 0,7
neemt de windhinderkans toe en bij een beschutte bouwwijze ~ < 0,7 neemt
die kans af. Op een goed ontworpen plein is een waarde van 0,2 tot 0,3
haalbaar.
Ook al is er veel ervaring in de advisering naar architecten toe om
ontwerpen te bereiken met een lage windfactor, toch blijft een windtunnelproef
nodig ter verificatie.
Het voorspellen van windhinder
Het blijft de vraag of experimenten en berekeningen een goede weergave
vormen van de werkelijkheid of, zoals Wisse het stelt " In hoeverre de
natuur afweet van onze windtunnel-experimenten en computerberekeningen".
Veel verschijnselen worden verwaarloosd, hetgeen bij de rekenmethode
nog in sterkere mate geldt dan voor het windtunnelonderzoek. Voor een optimale
beschutting tegen wind zou men de straat of het plein smaller wensen dan
2x de hoogte van de omringende obstakels. Een te grote beschutting voor
wind betekent echter ook vermindering van de verspreiding van de luchtverontreiniging.
De economische druk om in gebieden met veel verontreiniging en een hoge
grondprijs meer verdiepingen te bouwen dan in een landelijke omgeving is
voorlopig echter groter dan overwegingen met betrekking tot windhinder.
Winkelcentrum de Heuvelgalerie te Eindhoven is een voorbeeld van een
goede toepassing van een computerprogramma voor windhinder. Het programma
kan luchtstromen voorspellen die door winddruk en temperatuurverschillen
te verwachten zijn. Tijdens experimenteren met het programma werd het duidelijk
dat maatregelen nodig zijn om onaanvaardbare windsnelheden te voorkomen.
De belangrijkste ingreep is het beperken van de toegang tot het forum vanaf
het Heuvelplein tot 6 vierkante meter. Bij ongunstige weersomstandigheden
kan het management de ingangen voor 30% of 60% afsluiten. Ook kon Wisse
c.s. adviseren om geen luchtgordijn toe te passen vanwege de geringe horizontale
drukverschillen die zo'n gordijn kan weerstaan. In windvlagen wordt dit
al bij windkracht 6 overschreden, waardoor zeer vaak koude lucht binnen
kan komen.
De rekenmethode
Theoretisch onderzoek aan windhinder is sinds 15 jaar mogelijk geworden
door ontwikkelingen op het gebied van de stromingsleer, de numerieke wiskunde
en de computers.
Omdat stroming in de gebouwde omgeving vrijwel altijd turbulent is,
ontstaat een principieel probleem. Bij laminaire, niet turbulente stromingen
is de snelheid alleen afhankelijk van een drukverschil, de ruwheid van
de wanden en de viscositeit van de stromende stof. Deze (moleculaire) viscositeit
is een eigenschap van de stof en kan gewoon in een boekje worden opgezocht.
Bij turbulenties wordt de moleculaire viscositeit overspoeld door turbulente
fluctuaties in de stroming. Hierdoor ontstaat een zogenaamde turbulente
viscositeit die afhankelijk is van de stroming en niet van de lucht zelf.
In dat geval moeten we dus de stroming kennen om de viscositeit te weten;
maar de stroming kennen we pas als de viscositeit bekend is. Om dit cirkelprobleem
op te lossen, heeft de stromingsleer een aantal modellen aangedragen die
gebruik maken van numerieke wiskunde en moderne computers. Het doel van
deze modellen is om hulpmiddelen voor het ontwerpen te maken. Prof Wisse
noemt de resultaten van deze modellen veelbelovend. Zijn onderzoek vervult
op dit moment een voortrekkersrol waar de meer marktgerichte onderzoeksinstituten
vooralsnog een afwachtende houding aannemen. De investeringen in mankracht
en computertijd zijn hoog, de vraag naar resultaten van het onderzoek is
daarentegen gering. Om alle nuances van een turbulente natuurkracht zoals
wind in vergelijkingen te vangen zijn grote computers nodig en moeten aannames
gedaan worden die het gevaar in zich dragen dat de theorie en de praktijk
ver van elkaar verwijderd raken. Een diepgaande inhoudelijke behandeling
van de rekenmethode valt daarom ook ver buiten het bestek van dit artikel.
Vergelijking tussen windtunnelonderzoek en de rekenmethode
Bij een vergelijking tussen de methode van de windtunnel en de rekenmethode
van Wisse, is het duidelijk dat de eerste volgens een empirisch proces
te werk gaat terwijl de rekenmethode het probleem theoretisch benadert.
Dit brengt met zich mee dat men in een windtunnel achteraf kan constateren
wat de effecten zijn van beslissingen die in een eerder stadium zijn genomen.
"Dit maakt de windtunnel een instrument voor verificatie maar ongeschikt
voor modelvorming" aldus prof. Wisse. Bij de nieuwe rekenmethode is het
echter mogelijk om veel eerder deze effecten te voorspellen. Controle van
de uitkomsten van de rekenmethode in de windtunnel wijst uit dat de verschillen
minimaal zijn.
De rekenmethode is echter vooralsnog alleen geschikt voor gebouwen
in het open veld. Zo gauw invloeden van gebouwen in de omgeving meegerekend
moet worden ontstaan grote capaciteitsproblemen in de computer zodat drie-dimensionale
berekening met meerdere gebouwen qua rekensnelheid onmogelijk zijn. Een
windtunnel onderzoek daarentegen gebruikt vaak maquettes op een schaal
1:250 zodat gebouwen in een straal van 500 meter nog een plaats kunnen
vinden bij het onderzoek.
Omdat veel gebouwen toch in een stedelijke situatie zijn gesitueerd
is dit een belangrijk voordeel. Bij een standaard onderzoek door TNO in
Apeldoorn wordt een maquette met een basis-configuratie (standaard-opstelling)
met een diameter van 2 meter voorzien van ca. 100 meetpunten. Vervolgens
wordt door draaien van de maquette 24 verschillende windrichtingen gesimuleerd.
Daarna kunnen nog eens drie verschillende configuraties van de maquette
voorzien van diverse windafschermende voorzieningen op de zelfde wijze
worden getest. De kosten voor dit onderzoek, inclusief rapportage en advisering
liggen in de orde van grootte van fl. 20.000,- tot fl. 30.000,-. Testresultaten
van deze omvang kunnen momenteel nog niet geleverd worden door de rekenmethode
en het is volgens Wisse onwaarschijnlijk dat dit ooit mogelijk zal worden.
De tijd die nodig is voor het maken van een maquette, het uitvoeren
van het onderzoek en opstellen van de rapportage bedraagt ongeveer anderhalve
maand terwijl de wachttijd voor men aan de beurt is ongeveer 1 maand is.
In vergelijking daarmee levert het rekenprogramma veel sneller bruikbare
gegevens op.
Naast de drie windtunnels van TNO in Apeldoorn zijn er in Nederland
nog een aantal windtunnels beschikbaar voor onderzoek van windhinder in
de gebouwde omgeving, namelijk bij het NLR in de Noordoostpolder, bureau
Peutz in Nijmegen en een kleine tunnel bij de HTS in Rotterdam. In deze
laatste windtunnel wordt onder andere gewerkt door Cauberg-Huygen Raadgevend
Ingenieurs bv. met de zogenaamde korrel-erosiemethode. Bij deze methode
wordt het grondvlak van de maquette ingestrooid met fijn gedroogd zand.
De snelheid in de windtunnel wordt met stappen opgevoerd, waarbij het zand
in steeds grotere gebieden rond het model zal worden weggeblazen.
Op deze wijze krijgt men een indruk van de mate van windhinder.
Voor- en nadelen van de rekenmethode
Nadat de rekenmethode van prof. Wisse verder is ontwikkeld, is het grote
voordeel dat er meer mogelijkheden komen om sneller dan nu de consequenties
van bepaalde ontwerpbeslissingen te overzien. De winst zit dan in
de snelheid ten opzichte van de windtunnel, hetgeen een belangrijk voordeel
is tijdens het ontwerpproces waar alle beslissingen elkaar beïnvloeden.
Het is momenteel zeer onbevredigend dat alle overwegingen in een ontwerp
geïntegreerd worden terwijl pas op het laatste moment de effecten
van al deze beslissingen op mogelijke windhinder bekend worden.
Een ander voordeel bestaat uit het feit dat de rekenmethode een instrument
is om tot modelvorming te komen, een hulpmiddel bij het ontwerpproces,
en niet alleen een model voor verificatie achteraf. De windtunnel zegt
niet wat je er in moet zetten, en dat is iets waarover de rekenmethode
wel iets kan zeggen.
Een belangrijk nadeel van de rekenmethode is dat hij nog in een experimentele
fase verkeert. Er is nog veel deskundigheid en computertijd nodig om alle
gegevens te verwerken terwijl de resultaten nog niet altijd met de werkelijkheid
overeenkomen ten gevolge van tal van verschijnselen die verwaarloosd worden.
De resultaten van het onderzoek zijn echter nu al bruikbaar en zullen dat
in de toekomst nog toenemen.
De toekomst van het windonderzoek
De onderzoeken van Wisse e.a. maken de windtunnel zeker niet overbodig.
Maar naast en voorafgaande aan een eventuele windtunnelonderzoek moet een
gesprek plaatsvinden tussen een deskundige en een architect die met een
schetsontwerp bezig is. In zo'n gesprek worden de effecten besproken die
bij architecten veelal niet bekend zijn. De windtunnel vertelt niet wat
je er in moet zetten, dat moet in het voortraject bedacht en besproken
worden. Het onderzoek en de rekenmethode van Wisse geven een richting aan
waarin naar betere ontwerpen gezocht kan worden. Zij verlenen aan de voorbereidende
gesprekken de benodigde wetenschappelijke basis.
Het is nog de vraag hoe groot de kosten zullen worden voor het vervolmaken
van de rekenmethode en hoeveel een standaardberekening uiteindelijk zal
gaan kosten. Advisering door Wisse kost nu het normale uurtarief van raadgevende
adviseurs maar wanneer een super-mini computer gaat rekenen, zullen ook
die kosten betaald moeten worden. Omdat de opdrachtgevers ten gevolge van
genoemde nadelen nog weinig financiële middelen beschikbaar willen
stellen, lijkt het dat de universiteiten voorlopig het voortouw moeten
blijven nemen bij het verder ontwikkelen van een nieuwe rekenmethode.
Per jaar worden in Nederland slechts enkele honderden gebouwen getest
op windhinder in de diverse tunnels, hetgeen maar een fractie is van de
totale bouwproductie. Dit heeft ook te maken met de onduidelijkheid over
de kosten van windhinder. Vaak wordt er alleen aandacht aan besteed wanneer
zich gevaarlijke situaties voordoen zoals in Delft bv. bij de ingang van
het gebouw voor electrotechniek. Wanneer echter bij een winkelcentrum een
algemeen gevoel van onbehagen heerst dat mede veroorzaakt wordt door onaangename
windvlagen, is het moeilijk aan te geven welk effect dit heeft op de omzet
van de winkeliers.
Het lijkt zinvol om naast een rekenmethode voor het bepalen van windhinder
ook een methode te ontwikkelen om vast te stellen hoeveel kosten of verliezen
gemaakt worden ten gevolge van windhinder. In sommige gevallen zijn die
kosten op termijn vele malen groter dan de kosten van een onderzoek plus
de daaruit voortvloeiende maatregelen. Inzicht in de kosten en baten zal
er zonder meer toe leiden dat meer gebruik zal worden gemaakt van de beschikbare
middelen voor het vaststellen en het voorkomen van windhinder.
Bronvermelding:
1. Beperken van windhinder om gebouwen, deel 1
Stichting Bouwresearch, publicatienr. 65, Den Haag 1979
2. Natuur en Techniek '88, artikel 'Buitenklimaat' door J.A. Wise,
Maastricht 1988
3. Windproblemen bij gebouwen en in stedelijke gebieden, TNO, Apeldoorn
1987
4. 'Stedebouw en windhinder', Lezing door Prof. ir. J.A. Wisse
5. Windhinder in kaart gebracht, ir. Ph.H. van den Dool, De Bouwadviseur,
juni 1990.